Vlaamse schilderkunst

Van eitempera naar olieverf

Van onze redactie
 
Italië en Vlaanderen waren halverwege de vijftiende eeuw de grote welvarende centra van de Europese kunst. Zowel de kunstenaars in Florence als in Vlaanderen studeerden op het weergeven van perspectief. De manier waarop zij dit deden verschilden echter opmerkelijk van elkaar.

Jan van Eyck, Giovanni Arnolfini en zijn bruid, 1434. Olieverf op eiken paneel, 82 x 60 cm. National Gallery, Londen
Jan van Eyck, Giovanni Arnolfini en zijn bruid, 1434. Olieverf op eiken paneel, 82 x 60 cm. National Gallery, Londen

Waar Florentijnse kunstenaars van de renaissance als Piero della Francesca en Fra Angelico systematisch te werk gingen in hun studie van het lineair perspectief, en hun bevindingen vastlegden in theorieën, leerden de Vlaamse kunstenaars deze vaardigheid in de praktijk. Ook legden zij zich vooral toe op hun onderzoek naar het luchtperspectief, waarbij door middel van nuances in kleurintensiteit afstand wordt gesuggereerd in een landschap. Bovendien hadden de Vlamingen in tegenstelling tot de Florentijnen geen interesse in de klassieke oudheid van de Grieken en Romeinen.
Revolutionair waren de grote formaten, waar de Vlaamse schilders op gingen werken. Zij schilderden voornamelijk op paneel, met een nieuwe soort verf. Traditioneel werd eitempera gebruikt  voor het aanlengen van verf. Kleurpigmenten werden gebonden door middel van eigeel. Echter door het gebruik van olie, in de meeste gevallen lijnolie, kwamen de kleuren helderder naar voren. De techniek van de olieverf was al eeuwen bekend, maar nog niet eerder zo veelvuldig gebruikt als in de vijftiende eeuw. Bijkomend voordeel van het werken met olieverf is de langere droogtijd. De kunstenaar krijgt de tijd om het werk in geleidelijke stappen op te zetten en om preciezer te werken, tussentijds kan worden gecorrigeerd. Met het gebruik van eitempera was dat minder gemakkelijk. Eitemperaverf droogde snel, dus moest er ook in snel tempo geschilderd worden.
 

Jan van Eyck en Rogier van der Weyden

De Vlaamse kunstschilder Robert Campin, ook bekend als de Meester van Flémalle (kunsthistorici discussiëren nog of dit wel dezelfde persoon is) zet belangrijke stappen op weg naar vernieuwingen in de schilderkunst. Hij verwerkte ruimtelijk perspectief in zijn composities, had aandacht voor de portretkunst en had een scherp oog voor realistische details. Ook werkte hij al met olieverf. Van grote invloed op de Noord-Europese schilderkunst van de vroege zestiende eeuw waren de Vlaamse kunstschilders Jan van Eyck, waarvan men lang heeft aangenomen dat de olieverf zijn uitvinding was, en Rogier van der Weyden, een leerling van Campin. Zij wisten de voordelen van de olieverf tot het uiterste te benutten. Dit is zichtbaar in hun zeer verfijnde en naturalistisch uitgevoerde schilderijen. Zie van Van Eyck bijvoorbeeld het schilderij Man met rode tulband uit 1433. Dit geldt misschien iets minder voor Van der Weyden, deze heeft vooral aandacht voor het menselijke karakter van diegenen, die hij portretteert. Hij laat de persoonlijkheid doorschemeren door bepaalde gelaatstrekken te benadrukken en door andere achterwege te laten.
 

In de Vlaamse schilderkunst hebben objecten veelal een symbolische betekenis. Zie bijvoorbeeld het bekende schilderij Giovanni Arnolfini en zijn bruid uit 1434.
De Vlaamse schilders worden ook wel aangeduid als de ‘Vlaamse primitieven’, ook spreekt men van ‘laatgotiek’ of ‘vroege Nederlandse schilderkunst’. Naast de genoemde kunstenaars zijn Hugo van der Goes, Dirk Bouts en Petrus Christus de belangrijkste kunstenaars uit deze periode. Zie van de laatste het raadselachtige Portret van een jonge vrouw, welke zich bevindt in de Gemäldegalerie te Berlijn.
 

SCHILDERIJEN