Rococo

De frivole weg uit de barok

Van onze redactie

Rococo ontstond in het begin van de achttiende eeuw in Frankrijk als reactie op de heersende barokstijl. Belangrijke kunstenaars van het Franse rococo zijn Jean-Antoine Watteau, François Boucher, Jean-Honoré Fragonard en Jean-François de Troy.

Jean-Honoré Fragonard, De schommel, 1767. Olieverf op linnen, 81 x 65 cm. Wallace Collection, Londen
Jean-Honoré Fragonard, De schommel, 1767. Olieverf op linnen, 81 x 65 cm. Wallace Collection, Londen

In Italië wordt de beweging vooral geassocieerd met de illusionistische muurschilderingen van de Venetiaan Giambattista Tiepolo, de kunstschilder die van de prins-bisschop van Würzburg de opdracht kreeg een enorme plafondschildering boven de Kaiserzaal en boven de trappen in de Residenz te schilderen. Daarnaast worden de stadsgezichten van Canaletto tot het rococo gerekend. In Duitsland en Oostenrijk is het rococo vooral toegepast in de architectuur en de decoratieve kunsten. Belangrijke Duitse architecten waren onder andere Dominikus Zimmermann en Matthaeus Daniel Pöppelmann. De laatstgenoemde werkte samen met de Oostenrijkse beeldhouwer Balthasar Permoser aan het paleiscomplex de Zwinger in de Duitse stad Dresden. Tegenwoordig vervult dit complex een museumfunctie. De Duitse beeldhouwer Ignaz Günther maakte meestal beelden van hout. Hij liet zich inspireren door het Italiaanse maniërisme. Nederlandse kunstschilders van het rococo zijn Jacob de Wit en Cornelis Troost.
 

Een decoratieve stijl 'met weinig inhoud'

Het rococo kenmerkt zich door sierlijkheid, elegantie, charme, geestigheid en speelse erotiek. De stijl bleef ruim zeventig jaar populair in de achttiende eeuw. Vooral in de vroege achttiende eeuw hadden de rococoschilderijen van de Franse kunstschilders veel succes. Daarna diende de stijl van het neoclassicisme zich geleidelijk aan en verdween de stijl van het rococo. Een kunstenares, die in de overgangsperiode van het rococo naar het neoclassicisme zeer actief was, is Élisabeth Vigée-Le Brun. Zij wist tijdens haar leven een grote reputatie te vestigen als portrettist van de hoge adel en leden van het koningshuis. De negentiende-eeuwse kunstschilder Franz Xaver Winterhalter laat het rococo herbloeien in zijn talloze portretten van Koninklijke en adellijke personen.
Zoals veel stijlen hun naam hebben gekregen in de kunstgeschiedenis, was ook de benaming rococo in eerste instantie spottend bedoeld. Het woord refereert aan decoratieve schelpvormen uit de barok. Ondanks de vele opdrachten, kregen de kunstenaars van het rococo veel kritiek te verduren. Tegenstanders vonden dat hun kunstwerken inhoudelijk gezien niet serieus genoeg waren. Bovendien zou het te veel in dienst staan van de decadente hogere klasse. Het rococo werd daarom vooral beschouwd als een decoratieve stijl. Het decoratieve karakter wordt bevestigd door de materiaalkeuze van veel rococokunstenaars. Boucher werkte bijvoorbeeld regelmatig aan wandtapijten en kleine porseleinen beeldjes. In de kunstgeschiedenis hebben beelden, die uit marmer gehouwen zijn, of in brons gegoten, beslist een voornamer aanzien.
 

Reorganisatie van de hofhouding

Tijdens het ontstaan van het rococo, stond de stroming eerst bekend als ‘régence’. Deze naam was afkomstig van een overgangsregering na het overlijden van Lodewijk XIV in 1715. Philippe, de hertog van Orléans trad tijdelijk op als regent, omdat de opvolger van Lodewijk XIV, zijn achterkleinzoon Lodewijk XV, pas vijf jaar oud was. Hij zou de troon pas op zijn dertiende mogen bestijgen. Om die periode te overbruggen trad zijn oudoom op als regent. Vrij snel besloot Philippe dat de residentie van Versailles naar de bruisende hoofdstad Parijs verplaatst moest worden. Hier waren meer amusementsgelegenheden, theaters en allerlei mogelijkheden voor privéfestiviteiten. Deze grote verhuizing veroorzaakte een fundamentele verandering in de samenstelling van de hofhouding, en had ook gevolgen voor de levensstijl van de hogere kringen. In dit proces van transformatie gingen de kunsten mee. De weelderige stijl van het rococo sluit aan bij de smaak van de nieuwe opdrachtgevers. De stijl van de barok, die eerder door grote Koninklijke gezaghebbers als Lodewijk XIV werd ingezet om het volk te imponeren, werd nu als te dramatisch en verheven beschouwd. Er was behoefte aan een meer lichtvoetige intiemere stijl, die beter zou passen bij het interieur van de elegante minipaleizen van de adel. Dit was tevens de nieuwe opdrachtgever van de kunsten.
 

De strijd tussen de 'Rubenisten' en de 'Poussinisten'

De grootste inspiratiebron voor de Franse rococoschilders was de uitbundige stijl van de Vlaamse barokschilder Peter Paul Rubens. Er ontstond zelfs een vete tussen de aanhangers van Rubens, de zogenaamde 'Rubénistes', die kleur als het belangrijkste aspect van een schilderij beschouwden, tegenover de ‘Poussinistes’. De laatste groep dankt haar naam aan de Franse kunstschilder Nicolas Poussin, die 'classicistisch' schilderde. De Poussinisten zagen de tekening als het belangrijkste aspect. Dit betekende voor hen, dat in een schilderij de exactheid en begrenzing van de vorm en de aandacht voor het detail moet overheersen. De tekening zou volgens de Poussinisten verbonden zijn met het verstand, terwijl de kleur alleen maar op het oog gericht zou zijn. De Rubenisten stelden daar tegenover dat aandacht voor kleur noodzakelijk is, als je de werkelijkheid van de natuur wilt weergeven.
 

Jean-Antoine Watteau, Pilgrimage to Cythera, 1717, olieverf op doek, 129 x 194 cm, Louvre Parijs, Frankrijk
Jean-Antoine Watteau, Pilgrimage to Cythera, 1717, olieverf op doek, 129 x 194 cm, Louvre Parijs, Frankrijk

Geïnspireerd door Rubens

De fascinatie voor kleur en de sensuele vormen in de schilderijen van Rubens zijn in het rococo voor het eerst terug te zien in de het werk van Watteau. Hij verbeeldt op zijn taferelen de verkleedpartijen en openluchtfeesten van de hogere klasse, een genre dat ook wel ‘fêtes galantes’ wordt genoemd. Zijn schilderstijl verschilt echter met de stijl van de rococokunstenaars van de latere generatie. Watteau geeft de voorstelling weer vanuit een zekere melancholieke distantie. Zie bijvoorbeeld zijn meesterwerk Pierrot uit 1718-1720. Dit biedt een mogelijkheid tot meer diepgang in de thematiek. Watteau zal van grote invloed zijn op kunstenaars uit andere Europese landen. Zijn schilderstijl is waarneembaar in de werken van de Engelse portret- en landschapsschilder Thomas Gainsborough, en ook in die van de Spanjaard Goya, een kunstschilder uit de latere periode van de romantiek. Latere rococoschilders, zoals Fragonard en Boucher, laten de diepgang van Watteau achterwege en schilderen vooral lichtvoetige en zinnenprikkelende taferelen, waarvan het schilderij De schommel (zie ook de afbeelding bovenaan de pagina) een goed voorbeeld is. Ook De geheime ontmoeting, net als De Schommel door Fragonard geschilderd, geldt als een schoolvoorbeeld van het rococo.

Rococo en de Verlichting

De rococokunst werd door de filosofen en intellectuelen van de Verlichting afgedaan als een verheerlijking van de rijke adel en de rococostijl werd als te frivool afgedaan. Toch kunnen schilderijen zoals De schommel en de sensuele naaktportretten van Boucher ook worden beschouwd als ontwikkelingen ten gevolge van de rationele ideeën van de Verlichting. Zie van Boucher bijvoorbeeld het schilderij Hercules en Omphale. Verlichte filosofen als Voltaire en Rousseau pleitten voor het volgen van het eigen verstand in plaats van te luisteren naar de machtige stem van de kerk. De stijl van het rococo op haar beurt werd voortgestuwd door het verlangen om los te komen van de opgelegde classicistische maatstaven en beperkende schilderregels, welke door het onderwijsprogramma van de gezaghebbende Académie waren opgelegd. Rococokunstenaars en verlichtingsfilosofen deelden dus het verlangen om zich van de gezaghebbende autoriteiten van hun tijd los te maken.
 

Meer rococokunst