Minimal Art

'The specific objects' van minimal art

Van onze redactie
 
De filosoof Richard Wollheim introduceerde de term minimal art in 1965 als titel van zijn essay over kunstenaars uit zijn omgeving. Zij maakten kunst met minimale ingrepen. Minimal art wordt ook wel aangeduid als 'minimalisme'.

Carl Andre, Tenth Copper Cardinal, 1973, koper, 10 onderdelen van telkens 50 x 50 x 0,5cm, samen 250 x 100 cm, Berlijn, Staatliche Museen zu Berlin, Preussischer Kulturbesitz, Nationalgalerie, verzameling Marzona
Carl Andre, Tenth Copper Cardinal, 1973, koper, 10 onderdelen van telkens 50 x 50 x 0,5cm, samen 250 x 100 cm, Berlijn, Staatliche Museen zu Berlin, Preussischer Kulturbesitz, Nationalgalerie, verzameling Marzona

De kunstwerken waar hij destijds over schreef waren de abstracte schilderijen van Ad Reinhardt en de readymade sculpturen van Marcel Duchamp. Kenmerkend voor het minimalisme zijn eenvoudige aandoende objecten, die geen representatie zijn van de werkelijkheid of een andere werkelijkheid suggereren. Ze zijn meestal gebaseerd op geometrisch bepaalde grondvormen of daarvan afgeleide samengestelde vormen. Een belangrijk aspect is het repeteren van uniforme eenheden, zoals te zien in het werk van Andre Tenth Copper Cardinal uit 1973 (zie afbeelding hiernaast). De kerngroep van de minimalistische kunst wordt gevormd door de vijf kunstenaars Carl Andre, Dan Flavin, Donald Judd, Robert Morris en Sol LeWitt. De eerste vier kunstenaars hadden in de periode tussen 1963 en 1965 solotentoonstellingen en wekten daarmee de belangstelling voor het minimalisme. LeWitt zou met zijn latere werk ook veel betekenen voor de conceptuele kunst. Een bekende Nederlandse kunstenaar van het minimalisme is Jan Schoonhoven.
 

Doorbraak: een tentoonstelling in New York

De kunstenaars van het minimalisme lieten zich inspireren door de abstracte kunststromingen, in het bijzonder door het Russische constructivisme en het suprematisme van Kasimir Malevich. Daarnaast zijn de ‘Zwarte schilderijen’ van Frank Stella belangrijk voor het minimalisme. Ook de geabstraheerde vormen van de beeldhouwwerken van Constantin Brancusi zijn van invloed geweest op een aantal minimalistische kunstwerken. Vanwege de tentoonstelling “Primary Structures: Younger American and British Sculptors” in 1966 in New York verovert de beweging een duidelijke plek in de kunstgeschiedenis. De term minimalisme of minimal art werd vanaf dat moment toegepast op werk van vele kunstenaars, zoals de Amerikaanse beeldhouwers Carl Andre, Donald Judd, Dan Flavin en Robert Morris, die zoals hiervoor aangegeven uiteindelijk de kern van de beweging zouden vormen.
 

Donald Judd (1928-1994), Zonder titel (Stack), 1967, lak op gegalvaniseerd ijzer, twaalf eenheden, 23 x 10 x 79 cm (elke eenheid), Museum of Modern Art, New York, USA
Donald Judd (1928-1994), Zonder titel (Stack), 1967, lak op gegalvaniseerd ijzer, twaalf eenheden, 23 x 10 x 79 cm (elke eenheid), Museum of Modern Art, New York, USA

Beeldhouwkunst verenigd met schilderkunst

Kunstenaar Judd spreekt in een artikel uit 1965 van ‘specific objects’, als hij het over minimal art heeft. Hij stelt dat de objecten dichter bij de schilderkunst staan dan bij de beeldhouwkunst. Hij bedoelt dat dit tevens van toepassing is voor werken van collega-kunstenaars als Yves Klein, Claes Oldenburg, Robert Rauschenberg en John Chamberlain. In de kunstwerken van deze kunstenaars worden inderdaad aspecten uit de schilderkunst met de beeldhouwkunst verenigd. Judd zet in zijn objecten nadrukkelijk kleur in, het beeldelement bij uitstek van de schilderkunst. Maar zijn objecten zijn driedimensionaal en bovendien opgebouwd uit materialen die normaalgesproken in de beeldhouwkunst worden gehanteerd. De vormentaal van zijn objecten zijn ogenschijnlijk overwegend eenvoudig, maar de vragen die de kunstenaar met zijn werk wil oproepen zijn toch complexer van aard. Judd stelt het concept van ruimte aan de orde. Belangrijke thema's voor de kunstenaar zijn zowel de ruimtelijke aspecten die in de objecten zelf besloten liggen, als de wisselwerking die het object met de omringende ruimte aangaat waarin het werk opgesteld is. De beschouwer wordt uitgenodigd de ruimte, die de objecten innemen, te betreden en het kunstwerk te ervaren als onderdeel van de ruimte waar het zich in bevindt.
 

Minimalisme: de ondergang van het kunstobject?

De Amerikaanse kunstcritici Clement Greenberg en Michael Fried waren van mening dat de kunstenaars van het minimalisme te ver gingen in hun intellectuele benadering van het kunstwerk. Vooral het aspect van het ervaren van het object in relatie tot de ruimte zat hen dwars. Het kunstwerk was niet meer direct te lezen voor de beschouwer vanuit één helder standpunt. Het kunstwerk onderscheidde zich bovendien, volgens Greenberg, niet genoeg van een vergelijkbaar, gewoon object uit het dagelijks leven. Michael Fried onderstreepte dat de objecten een te directe relatie aangaan met de beschouwer, in plaats van dat men er van een afstand op een beschouwende manier naar kan kijken. Dat was in zijn visie namelijk een voorwaarde voor goede kunstwerken. Hij was zelfs bang dat het minimalisme de ondergang van het kunstobject zou betekenen.
Door het ogenschijnlijk afstandelijke en onpersoonlijke karakter van de kunstwerken werd de stroming ook wel geassocieerd met pop art, neodada en post-painterly abstraction. In de jaren zeventig kwam ook in de muziek het minimalisme als term in zwang. Door componisten als John Cage en La Monte Young beïnvloedde het minimalisme vervolgens weer via 'minimal music' de kunstenaarsbeweging van Fluxus en de performancekunst binnen de beeldende kunst.