Fauvisme

'Een kooi met wilde dieren'

Van onze redactie

Zoals in de geschiedenis van de moderne kunst wel vaker is voorgekomen is de naam van de stijl 'fauvisme' ontleend aan een als belediging bedoeld scheldwoord, dat door een kunstcriticus is bedacht. In 1905 bezocht de journalist Louis Vauxcelles de tentoonstelling van de jaarlijkse Salon d'Automne te Parijs.

Daar hingen knalbonte schilderijen van een groep toen nog jonge en onbekende kunstenaars, onder wie Henri Matisse, André Derain en Maurice de Vlaminck. In dezelfde zaal stond een beeldhouwwerk van Marqué dat de criticus deed denken aan het werk van de beroemde renaissance- beeldhouwer Donatello. Vauxcelles schreef in zijn kritiek in de Gil Blas onder andere ‘Donatello aux milieu des fauves, ofwel dat de beroemde renaissance beeldhouwkunst van Donatello in de tentoonstelling omringd werd door het werk van 'wilden’. De expositiezaal waar het beeld stond in het midden tussen de schilderijen van Matisse en anderen gaf hij spottend de naam ‘cage aux fauves’, dat vertaald ‘kooi met wilde dieren’ betekent. Daarmee werden deze jonge kunstenaars bestempeld als ‘fauves’ en vanaf dat moment fauvisten genoemd.

Henri Matisse, Portret van mevrouw Matisse/De groene lijn, 1905, olieverf en temperaverf op doek, 40 x 33 cm. Statens Museum voor Kunst, Kopenhagen
Henri Matisse, Portret van mevrouw Matisse/De groene lijn, 1905, olieverf en temperaverf op doek, 40 x 33 cm. Statens Museum voor Kunst, Kopenhagen

Kleurgebruik van Paul Gauguin en Vincent van Gogh

Voor de fauvisten waren Paul Gauguin en Vincent van Gogh grote voorbeelden. Net als hen pasten deze schilders bij voorkeur heldere/nauwelijks gemengde kleuren toe, zij gingen daar heel ver in, het was een manier om te laten zien dat ze vrij waren, vernieuwers en onafhankelijk. Zowel Albert Marquet en Matisse schilderden eigenlijk al sinds 1898 op de kenmerkende manier van het fauvisme, zij hadden elkaar leren kennen aan de Ecole des Beaux Arts in Parijs, waar ze les hadden gekregen van Gustave Moreau. Pas op de Salon d'Automne van 1905 werd hun werk getoond naast dat van geestverwanten als Maurice de Vlaminck, André Derain, Henri Manguin, Charles Camoin, Pierre Laprade, Raoul Dufy, Othon Friesz en Georges Rouault. Ook zagen de fauvisten af van de gangbare naturalistische stijl en de toepassing van perspectivische dieptewerking en kozen ze een kleurenpalet dat vooral door de aard van de te schilderen onderwerpen werd bepaald. Impressionisten hadden kleur benut om breking en weerkaatsing van het licht weer te geven. De pointillisten hadden hun schilderijen op haast wetenschappelijke wijze uit regelmatig geordende kleine kleurpunten opgebouwd. Via het oog werden deze kleurpuntjes via de hersenen van de beschouwer als het ware samengevoegd tot nieuwe mengkleuren. Bij de fauvisten werd kleur echter louter benaderd als een onderdeel van de totale compositorische ordening van het schilderij. Het losmaken van de kleur van het onderwerp en ook het ontbreken van de symbolische inhoud van elk schilderij heeft mede invloed gehad op het werk van buitenlandse tijdgenoten, zoals de schilders van het Duitse expressionisme. Toch is het fauvisme als stijl uiteindelijk maar heel kort toegepast. Toen Paul Cézanne als kunstschilder rond 1908 doorbrak gingen de meeste fauvisten in zijn stijl schilderen. Henri Matisse (1969-1954) is slechts één van de weinige kunstenaars, die de stijl van het fauvisme tot aan zijn dood min of meer is trouw gebleven. Een bekende Nederlandse fauvist is Kees van Dongen.
 

Andre Derain, The Turning Road, L´Estaque, 1906, olieverf op doek, 130 x 190 cm. Museum of Fine Arts, Houston
Andre Derain, The Turning Road, L´Estaque, 1906, olieverf op doek, 130 x 190 cm. Museum of Fine Arts, Houston