Fernand Léger (1881 – 1955)

Van onze redactie
 

Waar anderen een naakt of een stilleven gebruikten als beeldmotief voor een schilderij, richtte de Franse kunstenaar Fernand Léger zijn aandacht op de machine, in overeenstemming met zijn essay L'esthétique de la machine, l'ordre géométrique et le vrai uit 1924-25.

Fernand Léger, Vrouw in blauw, 1912, olieverf op doek, 193 x 130 cm, Kunstmuseum, Basel
Fernand Léger, Vrouw in blauw, 1912, olieverf op doek, 193 x 130 cm, Kunstmuseum, Basel

De kunstenaar was opgegroeid in Normandië in een agrarische familie. Deze achtergrond verklaart misschien zijn latere vereenzelviging met de arbeidersklasse en zijn lidmaatschap van de communistische partij in 1945. In 1900 vertrok hij naar Parijs, waar hij architectonisch tekenen na drie jaar verruilde voor schilderkunst. Hij ging voor een korte periode studeren aan de École des Arts décoratifs en in het begin van zijn carrière schilderde hij in de impressionistische stijl.
Léger bewonderde het werk van Paul Cézanne, de kunstenaar die stelde dat alle vormen in de natuur zijn terug te brengen tot geometrische grondvormen zoals cilinders, kegels en bollen. Het werk van Léger wordt al vroeg gekenmerkt door de toepassing van buisvormige vormelementen, die waarschijnlijk hun oorsprong in de visie van Cézanne vinden. Later raakte Léger steeds meer onder invloed van de pioniers van het kubisme: Picasso en Braque. Ook liet hij zich beïnvloeden door de stijl van Henri Rousseau. In 1912, het jaar dat Léger Vrouw in blauw (zie afbeelding) schilderde, maakte zijn kleurgebruik een belangrijke ontwikkeling door. Steeds vaker ging hij ongemengde verf, de zuivere kleuren, gebruiken. Dit deed hij in combinatie met zwarte contourlijnen. In datzelfde jaar, waarin zijn werk een duidelijke en persoonlijke stijl begon te krijgen, had hij tevens zijn eerste solotentoonstelling bij Galerie Kahnweiler te Parijs.
Léger wilde graag ‘mooie objecten met mechanische elementen’ creëren. Hij was overigens niet de enige in zijn tijd, die gefascineerd werd door de opkomende machinerie van de moderne grote steden. Ook de kunstenaars van het Italiaanse futurisme werden door technologie en de dynamiek van het stadsleven geïnspireerd. Bovendien verwezen ook kubistische werken van andere kunstenaars met hun geometrische vormen naar de machine. Door de buisvormige elementen, die de composities van zijn werk leken te domineren, werd zijn kubistische stijl ook wel spottend ‘tubisme’ genoemd.
Naast het mechanische en het machinale had Léger een ander favoriet thema: het circus. Een mooi voorbeeld daarvan is De Grote Parade, dat hij in 1954, een jaar voor zijn dood, voltooide. Léger was niet alleen kunstschilder maar ook actief als tekenaar, illustrator, decorontwerper, graficus, filmmaker en keramist. In 1952 schilderde hij decoraties voor de vergaderzaal van het UNESCO-gebouw in New York. Hij won in 1955, op de Biënnale van Sao Paulo de Grand Prix, hetzelfde jaar waarin de kunstenaar overleed.