Dan Flavin (1933 – 1996)

Van onze redactie
 
De Amerikaanse kunstenaar Dan Flavin wordt gerekend tot de kunststroming van de minimal art. Hij is vooral bekend vanwege zijn installaties van neonlicht en tl-armaturen - met daarin brandende tl-buizen - welke hij toepast als modulaire eenheden binnen zijn installaties. 

Dan Flavin, Monument voor Tatlin, 1966, Zeven neonbuizen van verschillende lengte, 366 x 71 x 11 cm, voorheen verzameling Saatchi, Londen
Dan Flavin, Monument voor Tatlin, 1966, Zeven neonbuizen van verschillende lengte, 366 x 71 x 11 cm, voorheen verzameling Saatchi, Londen

Vanaf 1961 maakte Flavin zijn eerste Icons. Dit waren blokken, in één kleur geschilderd, die hij aan de muur bevestigde. Hij voorzag ze van verschillende soorten lampjes. De eerste lichtinstallaties met enkel tl-buizen vervaardigde hij in 1963. Het jaar daarop exposeerde hij zijn Icons samen met een aantal werken opgebouwd uit tl-armaturen in de Kaymar Gallery en in de Green Gallery in New York. In 1966 nam hij deel aan de minimal art tentoonstelling ‘Primary Structures’ in het Jewish Museum in New York. Flavin droeg zijn kunstwerken van tl-licht op aan grootheden uit de kunstgeschiedenis, zoals Henri Matisse, de abstract expressionist Barnett Newman, de Russische constructivist Vladimir Tatlin (zie afbeelding) en de pop art kunstenaar Roy Lichtenstein. In het Stedelijk Museum te Amsterdam bevindt zich in de bovenhal van het trappenhuis een lichtinstallatie, die opgedragen is aan Piet Mondriaan, welke hij in 1968 speciaal voor het Stedelijk Museum maakte op uitnodiging van de toenmalige directeur van het museum, Wim Beeren. Flavin kreeg carte blanche om een monumentaal lichtwerk voor de traphal te maken. Flavin startte met Untitled (to Piet Mondrian through his preferred colors, red, yellow and blue. Dit betreft het deel van de installatie dat aan de wanden bevestigd is. Daarna voegde hij Untitled (to Piet Mondrian who lacked green) toe, dat zich aan het plafond bevindt. Het werk werd destijds voor een slechts drie maanden durende tentoonstelling geïnstalleerd. In 2011 is het opnieuw geïnstalleerd tijdens het tentoonstellingsprogramma van The Temporary Stedelijk. En nu bevindt het zich permanent in de traphal, dankzij de inspanningen van directeur Ann Goldstein.
De connectie tussen het minimalistische werk van Flavin en de pop art, zit hem in de neonlichten, die beelden oproepen van reclames in de populaire stedelijke massacultuur. De lichten illustreren tegelijk een belangrijk aspect van de minimal art. Wanneer gekleurd licht in een ruimte schijnt, heeft het een onmiddellijk effect op de omgeving om het kunstwerk heen. Het kunstwerk oefent een directe invloed uit op de omliggende ruimte en op de toeschouwer. Dat een kunstwerk een relatie aangaat met zijn omgeving is een belangrijk principe van minimal art. Flavin bereikte met zijn installaties optisch verwarrende resultaten, omdat hij speelde met de architectuur, met contrasten en perspectieven. “Ik wist dat je ruimten kunt verstoren ermee kunt spelen door middel van een nauwkeurige, uitgekiende compositie van de verlichtingselementen ,” verklaarde de kunstenaar. In 1992 presenteerde hij zijn neoninstallaties in het Guggenheim Museum in New York. Vier jaar later, in zijn laatste levensjaar, voorzag hij de gevel van het museum voor moderne kunst in Berlijn van een installatie met blauwe en groene neonbuizen.