Anthonie van Dyck (1599-1641)

Van onze redactie
  

Tot zijn vijftiende was Anthonie van Dyck (ook bekend als Antoon, Anton, Anthony, Anthonie of Anthonis van Dyck) in de leer bij Hendrik van Dalen te Antwerpen, een kunstenaar die gespecialiseerd was in glas-en-lood. Hij was zo talentvol dat hij, toen hij amper negentien jaar oud was, al toe kon treden tot het Antwerpse Lucasgilde als zelfstandig meester. Zeker is dat hij na zijn leertijd bij Van Balen ook enkele jaren leerling en assistent is geweest van Peter Paul Rubens, die hem als zijn beste leerling beschouwde.

Anthonis van Dyck, Koningin Henrietta Maria met haar dwerg Sir Jeffrey Hudson, 1633, olieverf op doek, 220 x 135 cm, National Gallery of Art, Washington DC
Anthonis van Dyck, Koningin Henrietta Maria met haar dwerg Sir Jeffrey Hudson, 1633, olieverf op doek, 220 x 135 cm, National Gallery of Art, Washington DC

Rubens, die de Noord-Europese kunstwereld van zijn tijd domineerde, werkte vaak met 'onderaannemers'. Zo stond Van Dyck, die Rubens als groot voorbeeld beschouwde, omstreeks 1620 onder contract van Rubens bij de verwezenlijking van plafondschilderingen voor de Carolus Borromeuskerk te Antwerpen, een bijzonder grote opdracht. Maar er was geen plaats voor twee kapiteins op het schip en dat is wellicht de reden, dat van Dyck een groot gedeelte van zijn leven in het buitenland verkeerde. Al keerde hij tussentijds regelmatig in Antwerpen terug. Zo verbleef hij aan het begin van de jaren twintig van de zeventiende eeuw in Londen als hofschilder van Koning Jacobus I. Na het kortstondige avontuur in Londen gaat hij naar Italië voor een periode van zes jaar, hij woont en werkt vooral in Genua, voor korte tijd in Palermo op Sicilië en reist naar vele andere steden. In Italië raakt hij in de ban van het werk van de Bolognese School, van Titiaan, Veronese en Antonio da Correggio. Het werk van deze kunstenaars beïnvloedt zijn stijl, de invloed van Rubens neemt wat af. Van Dyck verwerft in Italië grote populariteit met zijn portretten van welgestelde en adellijke personen. Als hij in 1627 terugkomt in Antwerpen krijgt hij ook daar de ene na de andere portretopdracht en hij wordt door de Habsburgse gouvernante Aartshertogin Isabella in Brussel als hofschilder aangesteld. In 1632 gaat Van Dyck echter opnieuw naar Engeland om daar - enkele onderbrekingen daargelaten - tot zijn dood werkzaam te zijn als hofschilder van Koning Karel I. Van Dyck wordt in 1632 tot ridder geslagen, mag zichzelf voortaan Sir Anthony van Dyck noemen, en krijgt tal van adellijke privileges. Hij ligt in St Paul's Cathedral in Londen begraven.
In zijn portretschilderkunst benadrukt Van Dyck steevast het sociale milieu van de geportretteerde, terwijl hij zich beperkt met betrekking tot de individuele karaktertrekken. Het resulteert in levendige representatieve portretten, waarmee de adel uitstekend voor de dag kon komen. Ook maakte hij zelfportretten, die dezelfde energie en elegantie bezitten, zie bijvoorbeeld zijn raadselachtige Zelfportret met zonnebloem en gouden ketting. Met dergelijke portretten luidde Van Dyck een traditie in die nog lang invloed zou uitoefenen op de Engelse portretschilderkunst, bijvoorbeeld op het werk van de latere Gainsborough. Met zijn portretten werd Van Dyck al op zeer jonge leeftijd bekend, waarbij zijn jeugdwerken nauwelijks van die van zijn leermeester Rubens zijn te onderscheiden, maar zijn oeuvre beslaat tevens mythologische, religieuze en Bijbelse thema's. Bekend is bijvoorbeeld het schilderij Suzanna in bad uit 1621 dat zich bevindt in de Alte Pinakothek te München.