Maniërisme
Maniërisme komt in de schilderkunst steeds voor
in de laatste fase van een bepaalde stijl. Meestal
omdat in die fase de stijl helemaal is ontwikkeld
en verstard is geraakt, of omdat kunstenaars
proberen de stijlvorm door te overdrijven nieuw
leven in te blazen. Deze situatie ontstaat ook aan
het einde van de Renaissance. Door terug te keren
naar de kunst van de Antieke Oudheid van Grieken
en Romeinen, speciaal als het gaat om de
uitbeelding van het menselijk lichaam, hadden de
Renaissance kunstenaars ten opzichte van de
voorafgaande stijlperiode van de Gotiek
iets nieuws gecreëerd. En zo zochten aan het eind
van de Renaissance kunstenaars opnieuw naar
groeimogelijkheden van hun artisticiteit. Ze
probeerden dit door de tot leven gewekte kunst van
de Antieken uit de Renaissance-periode te
overtreffen. Het Maniërisme is sterk beïnvloed door het werk van
Titiaan, Rafaël en Michelangelo. Rond 1520 streefde een aantal Italiaanse kunstenaars ernaar
deze beroemde voorgangers te evenaren. Sommigen probeerden
het eigen karakter (Italiaans: 'maniera') van de stijl van deze beroemde kunstenaars te overtreffen.
|

Parmigianino
(1503-1540), "Madonna met de lange
nek", 1534-1540,
olieverf op hout, 216 x 132 cm (Collectie:
Galleria degli Uffizi, Florence)
|
Maniërisme
- De overgang van Renaissance naar Barok
Schilder, theoreticus Giorgio Vasari omschrijft in
iemands maniera als zijn persoonlijke artistieke stijl, zijn
kenmerk. Met de gespierde lichamen en ingewikkelde houdingen
van de schilderingen in de Sixtijnse kapel van
Michelangelo als voorbeeld, deden de Maniëristen
er een schepje bovenop. Het resulteerde in
geschilderde lichamen met overdreven proporties. De
'maniera' van deze kunstenaars werd een
'maniertje' en leek bijna het doel te worden van
hun schilderkunst. Daarom werd hun kunst 'Maniërisme' genoemd.
Het Maniërisme, begonnen in 1520, verspreidt zich
vanuit Italië over heel Europa. Bekende
Italiaanse Maniëristen zijn Angelo Bronzino,
Parmiaganino, Jacopo da Pontormo, Guilio Romano,
Tintoretto en Veronese. Het Maniërisme kan worden
beschouwd als een overgang van de Renaissance naar
de Barok en eindigt rond
1600. Een Centrum van Maniëristische
schilderkunst was o.a. het hof van Praag ten tijde
van keizer Rudolf II, waaraan schilders als Hans
von Aachen, Giuseppe Arcimboldo, Joseph Heintz en
Bartholomeus Spranger verbonden waren. Deze
laatste kunstenaar had contacten met Nederlandse
kunstenaars van de Haarlemse School, waar
schilders als Hendrick Goltzius, Jan Gossaert,
Maerten van Heemskerck en Lucas van Leyden deel
van uitmaken. Hun maniëristische schilderstijl
wordt ook wel 'Romanisme' genoemd.
|

El
Greco (1541-1614), "Laocoön",
circa 1610, olieverf op doek,
193 x 142 cm (National Gallery, Washington
D.C.)
|
Kenmerken
van het Maniërisme
De eenvoudige en heldere vaak statische
composities van de Renaissance maakten plaats voor
complexere voorstellingen, waarin een voorliefde
bestond voor tegengestelde bewegingsrichtingen
binnen een schilderij. Terwijl in de vroege renaissance en de hoge renaissance
naar natuurlijkheid en harmonie werd gestreefd,
lijkt het erop dat tijdens de periode van het Maniërisme
kunstmatigheid en disharmonie als ideaal werden
gesteld. De wiskundige perspectiefregels, die in
de Renaissance op grote schaal werden toegepast,
werden tijdens het Maniërisme geheel vermeden of
overdreven toegepast in te ingewikkelde
perspectivische constructies, die de
ruimtelijkheid binnen een schildering eerder juist
niet ten goede kwamen. De natuurlijke anatomie en
proportieleer bij weergave van mensgestalten, ten
tijde van de Renaissance nog een belangrijk ideaal
wordt min of meer losgelaten. Hoofden van
mensfiguren worden naar verhouding te klein
weergegeven. Tijdens het Maniërisme worden
menselijke Lichamen niet alleen overdreven
plastisch weergegeven, ze worden bovendien
overdreven slank en lang en in gekunstelde bijna
onnatuurlijke houdingen weergegeven. Dit gaf de
verbeelde mensfiguren overigens wel een
zinnelijk-erotische uitstraling, zoals die zich
nog niet eerder in de beeldende kunst had
voorgedaan. Met name de maniëristische
kunstwerken uit de school van Fontainebleau
bezitten dit kenmerk. Tegenpool van deze
zinnelijkheid is het werk van de Spaanse
kunstenaar El Greco. Ook in zijn werk zien we
overdreven lange lichamen in gecompliceerde
lichaamshoudingen, maar zijn figuren hebben geen
erotische, maar eerder een geestelijk gewelde
uitstraling. Dit zien we ook terug in de
Maniëristische portretkunst, de portretten ogen
verstard, onzeker en eenzaam in hun schitterende
staatsiegewaden zijn de geportretteerden. Het
innerlijk en de psychologie van de uitgebeelde
figuren wordt als het ware blootgelegd door de
kunstenaars van het Maniërisme.
|