Kubisme
- Het begin
Het kubisme
heeft een grote verandering in de moderne
schilderkunst teweeggebracht. Initiatiefnemers
waren de kunstenaars Pablo Picasso en Georges
Braque, die elkaar in 1907 vonden in hun verlangen
naar een vernieuwende uitbeeldingsvorm. Ze gingen
uit van een uitspraak van de kunstschilder Paul
Cézanne, die had gezegd dat de hele natuur is
opgebouwd uit geometrische grondvormen. Dat in
principe alles wat we zien kan worden herleid tot
cilinders, kegels, kubussen en bollen. Picasso en
Braque zetten dit in het begin zeer letterlijk in
beelden om, ze reduceerde alles wat ze wilden
verbeelden tot basiselementen. Een heel beroemd
schilderij uit de eerste periode is het schilderij
'Les Demoiselles d'Avignon', dat Picasso
schilderde in 1906-1907 en dat nu te bewonderen is
in het Museum voor Moderne Kunst te New York. De
twee kunstenaars werken in de eerste kubistische
jaren opmerkelijk genoeg zo nauw samen, dat men nu
soms niet weet aan wie van de twee een bepaald
schilderij moet worden toegeschreven. De naam
'Kubisme' is afkomstig uit een kritiek van de Franse criticus L. Vauxelles,
die in het blad Gil Blas in 1910, de eerste
kubistische schilderijen van Georges Braque
omschreef als 'bizarreries cubiques'. Picasso en
Braque lieten zich bij de ontwikkeling van hun
kubistische stijl ook inspireren door maskers en
houtsculpturen van primitieve Afrikaanse stammen.
De eerste fase van het Kubisme tot 1909, waarin
vormen werden teruggebracht tot geometrische
grondvormen, wordt ook wel de fase van het
Geometrisch Kubisme genoemd.
|

Georges
Braque (1882-1963), “Viaduct bij
L'Estaque", 1908,
olieverf op doek, 72,5 x 59 cm
(collectie Musee National d'Art Moderne,
Centre Georges Pompidou, Paris)
|
De
wezenlijke vernieuwing van het Kubisme
In plaats van het tot dan toe gebruikelijke
herkenbaar weergeven van mensfiguren, landschappen
en stillevens, worden volstrekt nieuwe door de
kunstenaar bedachte - niet direct visueel
waarneembare - vormen geschilderd, die overigens
wel werden afgeleid van mensfiguren, landschappen
en stillevens. Het gaat niet zozeer om een nieuwe
variant op herkenbare vormen, het creatieve
verbeeldingsproces en haar nieuwe wetmatigheden
zelf wordt door de Kubisten nadrukkelijk op de
voorgrond gesteld. Het kubisme rekent zodoende af met de oude
gangbare manier van kijken. Een kunstwerk
verbeeldt niet dat wat we zien, maar is
eerder een vertaling van wat er in een mens omgaat,
als hij naar dingen kijkt.
De abstrahering, die het gevolg is van
vormreductie tot grondvormen wordt versterkt
doordat niet blindelings meer het centrale
perspectief wordt toegepast. Een schilderij
bestaat niet alleen uit één enkel aanzicht van
het onderwerp, maar bestaat uit een soort montage
van verschillende aanzichten, die elkaar
gedeeltelijk ook nog overlappen. Het onderwerp
wordt als het ware tegelijkertijd vanuit
verschillende standpunten aan de beschouwer
getoond. Tussen 1909 en 1912 ontwikkelt het
Kubisme zich nog verder, het wordt nog abstracter.
De Kubisten analyseerden de werkelijkheid,
splitsten haar om vervolgens de delen weer samen
te voegen, deze tweede fase wordt daarom ook wel
het Analytisch Kubisme genoemd. Zo zijn de
objecten in een schilderij als zodanig niet meer
duidelijk te onderscheiden van de hun
omringende ruimte. Platte vlakken worden
afgewisseld met suggesties van driedimensionale
vormen in een oneindig fragmentarisch vlechtwerk
van vlakken en lijnen. Een schilderij lijkt te
bestaan uit meerdere ruimtelijke lagen. De
waarneming blijft uitgangspunt, maar het concreet
waarneembare heeft plaatsgemaakt voor een bijna
volledige onherkenbaarheid, bestaande uit de
toepassing van een creatief spel van abstracte
codes en regels.
|

Pablo
Picasso (1881-1973). "L'Aficionado",
1912
olieverf op doek, 135 x 82 cm
|
De
invloed van het Kubisme
Vanaf 1912 is de waarneming zelf ook geen absoluut
uitgangspunt meer voor de Kubisten bij het
maken van een schilderij. De Kubisten creëren hun
schilderijen vanuit de eigen fantasie, gebruik
makend van abstracte tekens. In deze fase keert
wel een zekere mate van ruimtelijkheid in hun
schilderijen terug. Ook worden bestaande
materialen in collagevorm toegevoegd aan de
schilderijen en worden de composities sterk
vereenvoudigd tot slechts enkele vormen met zowel
grote als lege vlakken. De schilderijen worden ook
kleurrijker, de kleur had in de eerste twee fasen
immers nauwelijks een rol gespeeld, geheel in
overeenstemming met een belangrijk principe van
het Kubisme om alles te vereenvoudigen. In het
begin gebruikte men daarom geen felle kleuren,
alles werd geschilderd in grijs- en
bruinvarianten. Men noemt de laatste fase ook wel
de fase van het Synthetisch Kubisme. Het Kubisme
van Picasso en Braque heeft vele navolgers
gevonden en er ontstonden daardoor ook andere
varianten op het Kubisme. Belangrijke
kunstschilders, die tot de stroming van het
Kubisme worden gerekend zijn bijvoorbeeld Robert
en Sonia Delaunay, Roger de la Fresnaye, Albert Gleizes,
Juan Gris, Fernand Léger, Kazimir Malevitsj, Jean Metzinger
en Diego Rivera. Belangrijke beeldhouwers zijn Alexander Archipenko, Raymond Duchamp-Villon, Jacques Lipchitz, Ossip Zadkine en natuurlijk Pablo Picasso
zelf.
Het Kubisme werd als stijl voornamelijk toegepast
in de periode tussen 1907 en 1914, maar had nog
wel zijn uitlopers tot 1925. Het Kubisme was een
directe inspiratiebron in Italië voor het
ontstaan van het Futurisme en had invloed op het
werk van verschillende Duitse expressionisten van
de Blaue Reiter groep, met name op de kunstenaars
Franz Marc en Lyonel Feininger. Er kan worden
gesteld dat zonder de nieuwe abstraherende manier van kijken,
die het Kubisme de kunstwereld had laten ervaren,
latere stromingen als Abstracte kunst,
Constructivisme, Dadaïsme,
Surrealisme, Kinetische- en Conceptuele kunst
misschien wel nooit zouden hebben bestaan. Het
Kubisme is wellicht de meest invloedrijke kunststroming
gebleken van de 20e eeuw.
|