Dadaïsme
Afgeleid van 'dada', het stamelwoordje van een
klein kind. Bedacht door de Duitse schrijver Hugo Ball,
die was gevlucht uit zijn vaderland, naar het
neutrale buurland Zwitserland. Er bestaan
overigens ook andere theorieën over waar het
begrip Dada vandaan komt. Hoe, dan ook, het is
sinds 1916 de aanduiding gebleven, voor een groep beeldend
kunstenaars en literatoren rond het 'Cabaret
Voltaire' in Zürich. Het Dadaïsme was een culturele beweging die
tijdens de Eerste Wereldoorlog in het neutrale
Zwitserland begon. Als stroming kende het tussen
1916 en 1924 zijn belangrijkste periode. De
aangesloten kunstenaars stelde zich ten
doel om radicaal terug te keren naar hun eigen kinderlijke creativiteit en een uitingsvorm toe te
passen, als die van kinderen. Hun creaties gingen in
principe in tegen alle traditionele uitingsvormen. De zinledigheid van de toenmalige
ingestorte wereld als gevolg van de Eerste
Wereldoorlog, wilden zij in de eerste plaats
benadrukken. De kunstenaars waren geraakt door
de oorlog, die was uitgemond in een zinloze,
eindeloze en buitengewoon wrede loopgravenoorlog. Hugo Ball
schreef in 1915 in zijn dagboek: 'de mens wordt
verward met een machine.' Ze bespotten daarom op brutale en schokkende wijze
ook de bestaande
situatie in de kunstwereld, met als doel de schijnheilige waarden van de toenmalige 'beschaafde' wereld
onder de aandacht te brengen. Het benutten van het
toeval was een belangrijk creatief principe in de
kunstuitingen van de Dadaïsten, die in de beeldende kunst
de
collage en de assemblage toepasten. Hans Arp
bijvoorbeeld maakte abstracte composities van uit
papier geknipte vormen, die hij willekeurig liet
vallen op een ondergrond en vervolgens vast
plakte, waar ze waren gevallen. In de poëzie
schreven de Dadaïsten absurde gedichten vol
onzin, soms slechts bestaande uit pure klankuitingen.
|

Marcel
Duchamp, Mona Lisa (1919)
|
Het
einde en de invloed van Dada
In Parijs, waar het Dadaïsme kort bloeide met vele exposities, begin jaren twintig,
ontstond er onenigheid tussen André Breton en de
Roemeense dichter Tristan Tzara, één van de
initiatiefnemers en theoretici van Dada van het
eerste uur. Toen Breton, in 1924, zijn 'Premier manifeste du Surréalisme' uitbracht,
betekende dit meteen het einde van de anarchistische
stroming van het Dadaïsme. Deze destijds
weliswaar opzienbarende stroming wordt
tegenwoordig daarom door velen vooral beschouwd
als voorloper van het Surrealisme. Ondanks de negatieve uitingsvormen en het
afwijzen van beeldende esthetiek, heeft de dadaïstische beweging
belangrijke invloed op de verdere ontwikkelingen in
de geschiedenis van de Moderne kunst gekregen. In Fluxus
leefde bijvoorbeeld het idee van complete artistieke vrijheid en de
waardering van het irrationele
voort. Pop-Art kunstenaars werkten net als
de Dadaïsten vanuit banale motieven en met
bestaande industriële materialen, terwijl
kunstenaars uit de stroming van de Conceptuele kunst in de geest
van de dadaïsten vervreemdende combinatie van woord en
beeld toepassen.
|

Raoul Hausmann,
'De
Kunstcriticus'
(1919-1920).
Krijt, inkt stempels, fotomontage en
collage op een gedrukte poster van een
gedicht.
|
De
belangrijkste Dadaïsten
De Dada groep bestond in het begin in Zürich uit de
Roemenen Tristan Tzara en Marcel Janco, de Elzasser Hans
Arp, de Zwitserse kunstenares Sophie Taüber, de Duitsers Hugo Ball en Richard Hülsenbeck
en de Nederlander Otto van Rees. Het was Tristan
Tzara, die als eerste in zijn geschreven
manifesten het begrip Dada toepaste. Ook de rest
van de groep verspreidde
op actieve wijze hun manifesten onder de willekeurig gekozen naam Dada.
Tegelijkertijd was er over de oceaan in New York was een groep
kunstenaars met vergelijkbare kunstuitingen bezig.
Het gaat om Marcel Duchamp, die omdat hij
afgewezen was voor de Salon des Independants van 1912 in
Parijs, was uitgeweken naar de Verenigde Staten,
waar hij groot succes oogstte met zijn schilderij
'Nude Descending a Staircase no. 2' uit 1912 op de
'Armory Show' van 1913. Dit was de eerste groots
opgezette internationale expositie van Moderne
Kunst in de verenigde Staten. Naast Duchamp waren Francis
Picabia, Walter Arensberg en Man Ray bezig met
kunst, die veel weg had van Dada. Zij deden
dit vanuit de galerie van fotograaf Alfred Stieglitz.
Zij gaven o.a. het tijdschrift '291' uit. In 1917
ontstonden er contacten met de groep uit Zürich.
In 1921 gaven Marcel Duchamp en Man Ray nog een
laatste nummer
uit: 'New York Dada'.
Na de Eerste Wereldoorlog verspreidde de beweging
zich verder over West-Europa en werden vooral
wereldsteden als Berlijn en Parijs de nieuwe
centra van Dada. In Berlijn sloten kunstenaars als Johannes
Baader, George Grosz, Raoul Hausmann en Hannah Höch
zich
aan. Kurt Schwitters creëerde in Hannover
collages onder de naam 'Merz', een kruizing tuseen
het Duitse woord 'schmerz' en het Franse woord 'merde'.
Hij maakte het van afval, dat hij op de straat
opraapte. De in Keulen
wonende en werkende kunstenaar Max Ernst, bevriend met
Hans Arp, werd ook dadaïst. In Parijs
tenslotte vomde literator André Breton de spil van
het Dadaïsme. Naast hem waren Louis Aragon,
Philippe Soupault en Paul Eluard daar de actiefste
Dadaïsten.
|